Jo Vandemeulebroucke MTVraaggesprek : Voor de eigenlijke behandeling informeert de manuele therapeut naar uw klachten.

Onderzoek : Er wordt nagekeken of de klachten eerder een functionele verklaring hebben. De manuele therapeut verricht daarna een aantal metingen en stelt het individuele functiemodel van de patiënt op. Hierbij worden de deelzwaartepunten van het lichaam berekend. Met behulp van natuurkundige wetmatigheden kunnen de voorkeursbewegingen van de patiënt bepaald worden. Dit zijn die bewegingen die met het minst moeite gebeuren.

Behandeling : Op basis van dit individuele functiemodel zal de manuele therapeut de bewegingsketen mobiliseren t.h.v. de gewrichten met de bedoeling zo gunstig mogelijke bewegingsvoorwaarden te creëren in de bewegingsketen. Dit gebeurt op een zachte wijze, binnen de fysiologische grenzen van het gewricht. Van kraken is absoluut geen sprake. Kraken of manipuleren kan als a-fysiologische beschouwd worden en is derhalve niet wenselijk.

De manuele therapeut zal gedifferentieerde informatie aanreiken aan het sturend bindweefsel, t.t.z. gewrichtsbanden, -kapsels, disci en menisci…, om de sturingen in de bewegingsketen te optimaliseren. De therapeut gaat hierbij uit van een theoretisch optimum. Gezien alle bewegen de zelfde natuurwetten volgen kunnen we dit optimum wiskundig berekenen. Ook van belang is dat de gehele bewegingsketen in beschouwing wordt genomen. Het lichaam zal vooraleer klachten verschijnen zelf zoveel mogelijk gecompenseerd hebben, ten einde zolang mogelijk klachtenvrij te blijven.

 

“zo’n zachte behandeling en zo’n magnifiek resultaat !”

Pas als het lichaam onvoldoende functionele voorwaarden vindt, treden klachten op in de vorm van bijvoorbeeld pijn, functionele hinder, bewegingsbeperking, uitstraling naar andere regio’s in het lichaam…

Een consultatie duurt ongeveer 30 minuten. Een tweede behandeling wordt meestal gepland ongeveer één week – soms tien dagen – na de eerste behandeling. Bij zeer acute klachten kan de tussentijd echter verminderd worden tot vijf dagen. De tussentijd tussen de behandelingen is nodig om het lichaam de kans te bieden zich aan te passen aan nieuwe bewegingsvoorwaarden.

Na de behandeling kan de patiënt zich wat vermoeid voelen. Soms treedt één dag na de behandeling een soort spierstijfheid op die na ongeveer één à twee dagen verdwijnt en toe te schrijven is aan functiewijzigingen in de bewegingsketen.

Vaak ondervindt de patiënt na 2 à 3 behandelingen reeds een klachtenvermindering. In veel situaties volstaan een beperkt aantal behandelingen (3 à 6).

>>> lees ook : het VDM-concept